08/06/14

R. Soetan Casajangan Soripada: Pelopor Pribumi di Negeri Belanda



Soetan Casajangan (De Telegraf, 3-6-1907)
Radjioun gelar Soetan Casajangan lahir di Batunadua, Padang SidimpoeAn adalah orang Tapanoeli  kedua yang studi di negeri Belanda. Soetan Casajangan berangkat dari Batavia dengan kapal s.s. Prinses Juliana tanggal 05-07-1905 dan berlabuh di Amsterdam tanggal 30-07-1905. Pers Belanda intensif mengikuti setiap langkah Soetan Casajangan. Ada apa?. Bahkan pada masa-masa permulaan pendidikan, pemberitaan Soetan Casajangan sudah disiarkan secara luas. Di kalangan akademik dan para pakar etik Belanda, Soetan Casajangan mendapat pujian dan dianggap sebagai seorang pelopor pribumi di negeri Belanda (Een Inlandsche pionier in Nederland) . Dua artikel mengenai Soetan Casajangan ditampilkan di bawah ini. (1) Wawancara koran De Telegraf (Amsterdam) yang diterbitkan pada tanggal 3 Juni 1907 dengan judul:’ R. Soetan Casajangan Soripada’ [Artikel ini juga dipublikasikan ulang oleh koran Bataviaasch nieuwsblad (Batavia) pada tanggal 2 Juli 1907]. (2)  Tinjauan akademik yang dimuat di jurnal Weekblad voor Indië, tevens damesweekblad voor Indie yang berjudul: ‘Een Inlandsche pionier in Nederland‘ yang diterbitkan pada tanggal 11 Mei 1913.

R. SOETAN CASAJANGAN SORIPADA

— Vla une idéé!.... 'n Plannetje!.... Wat zou je d'r van zeggen, als ik es 'n retour nam naar de.... Bataklanden !

— Narr de 8a...ba..., wat?...

...„de Batak landen...., Mnd, je aardrijkskunde! ....'t volk fascineert me...; ik zou willen stadeeren..., reizen..., oh!, óv°ral..., naar Manukari, Warekori...., wo man alles Leid vergisst.... woder glückliche Maori seino Schwiegermutter frisstü...

Stel, mevrouw, dat uw echtgenoot op 'n morgea de vredige kadetjes en theeketel harmonie uwer ontbijtstemming verstoorde door 'n ontboezeming als bovenstaande.

Nietwaar, ik hoor u met bezorgden tact inforrneeren naar zijn welstand, en zie u reeds grijpen naar de azijnflesch. . .?

Doch denk eens, dat het uwen nimmer zoo vèrgewenschten gemaal ernst bleek te zijn met z'n p1an....!

Dan hebt ge de emotie van de vrouw en de familieleden van bovengemelden Batakker, toen hij naar Holland wilde trekken.

Neen lezer, 'n Indische prins is 't niet— zooals ge dacht bij 't lezen van z'n langen naam, maar iets beters: n.l. 'n man om met spontaan respect je hoed voor af te nemen! —Want een week geleden slaagde diezelfde bewoner der bataksche binnenlanden te Haarlem voor de acte van nederlandsch onderwijzer, en dat, na slechts drie jaar in ons kikkerland te hebben doorgebracht!

Turend naar de draaiende molens voorden schellen ochtendheniel.de grazige weiden en de eerzame Haarlemmer Trekvaart, had uw onderdanige dienaar zich verkwikt met de herinneringen aan da paragrafen in z'n aardrijkskundeboek, welke den Batakkers waren gewijd ....Véél stammen....véél gevecht. Je hart ging open! Je zag ze, de bronzen mannen, met de zwarte versierde en gevijlde tanden, en de kleurige hoofddoeken; lenig als katten tusschen de harde, dichte struiken!.... de lange lansen in de hand. Lichte werpspiesen suisden door de lucht. Messen, sabels, zonderlinge wapens, glinsterden in de zon... 'n Krijgsgevangene werd slaaf, of in een vol-au-vent z'n overwinnaar als souper geserveerd.

Buffels met breede neuzen snoven langs den grond. In 't diepst van 't woud speelde 'n eenzame jager kiekeboe om 'n boom met 'n koningstijger: z'n oogen waren als gloeiende kolen en z'n pooten omklemden den stam, dat de sohors scheurde!

Bij de houten, op palen gebouwde huizen, werkten de vrouwen, bereidden de rijst, en zaten de mannen na „dagtaak" elkaar raadsels op te geven, of dansten zij op de muziek van bekkens, klarinet, guitaar en gebarsten gong..., wanneer ze voor 't moment geen lust tot voetbal badden, en bezichtigden een pas verkregen griezeligen talisman, waartoe de een of andere vijand 't zijne had moeten bijdragen.

Doch ..o, tempora, o mores! de tijd, de beschaving, de christelijke godsdienst, hebben véél veranderd..., hebben gemaakt, dat toen ik achter 't blauw en witte dienstmeisje 't propere haarlemsche huisje binnentrad..., ik stond... tegenover ncorrect, donker getint heer in colbert kostuum, die mij precies zoo welwillend 'n stoel wees, als de beschaafdste onder de beschaafden der Bataven 't zou gedaan hebben. En aan 't Hollandsen van dezen Batakker, zou menig Amsterdammer een lesje kunnen nemen!

Rustig tegenover mij zittend, vertelde de heer Soetan, hoe hij er toe gekomen was, om zich in het moederland zelt te gaan .toeleggen op de nederlandsche taal. Indertijd behaalde hij onder de uitstekende leiding van den heer Ophuyseu, thans hoogleeraar te Leiden, de acte voor inlandsen onderwijzer, en werd hij als zoodanig in zijn geboortestreek — Batoe Na Doea — geplaatst. De kinderen werkten kwiek onder zijn leiding, en twaalf ervan' slaagden bij hun overgangs examen voor de holland sche school!

„Ziet u" vertelde de heer Soetan, „ik wist de eerste beginselen van 't Nederlandsen wel, maar ik had zoo van die woorden, die me 'n raadsel bleven, 't Woord «waren" tegelijkertijd de verleden tijd van «zijn" is. En ik zei' op 'u keer tegen mijn broer, ik moest toch eens.' naar Nederland zien te komen... dan zou men" meteen merken, hoe groot 't verlangen van den inlander is, om zich te ontwikkelen..."

„Ben je zestig?" vroeg hij. „En werkelijk, we hebben er over getwist..., maanden lang, voor ik er toe kwam om mijn plan door te zetten."

Wat dit laatste hem moet gekost hebben, is na te gaan, wanneer men bedenkt, dat 't 'n groote zeldzaamneid is, als 'n Batakker zijn geboortegrond verlaat, en hij alle leden van zijn familiestam moest bewerken, vóór hij zijn idee uitvoeren kon.

Drie jaar geleden nam de dertigjarige man afscheid van vrouw en kinderen, werkte eerst een jaar in Amsterdam, en toen twee jaar aan de Rijkskweekschool te Haarlem. Hij wilde hier o.a. 't pad effenen voor zijn oudete zoontje..

„Of 't niet vreemd was... in Holland?"

„Natuurlijk verschrikkelijk; en 's winters zóó koud. Met 't eten ging 't nogal... mijn vader,die hoofd van 'n stam was, kwam vroeger al veel in aanraking met Europeanen...; aardappelen had ik al eens geproefd!"

 „En hoo 't met mijn gezin is? Denk eens, vlak voor mijn examen wist ik nog niets van hen. Toen werd ik..., hoe heet 't 00k..., zenuwachtig. Maar daar kwam 'n bericht! Zij maakten het best. En kalm als ik toen was... kalm!"

Met zijn lenige handen rustige gebaren makend, zat hij aan de' tafel tegenover mij. Z'n ronde, bruin-maleische kop, met 't korte, zwarte haar, krachtig boven den witten boord. Achter de gla zen van den gouden lorgnet z'n kleine, pientere oogen. Het dunne snorretje boven den breeden mond, met de iets vooruitspringende dikke onderlip.

Zijn plannen voor de toekomst?Wel, ontwikke-3ing en nog eens ontwikkeling voor den inlander, zoodra hij weer in Indië zou zijn. Zijn vader reeds had veel voor de beschaving van Batoe Na Doea gedaan, steeds aangedrongen op het stichten van scholen.

Ik moest photo's zien.

't Portret van zijn huis. Ja, dat is gemoderniseerd, 't staat niet op palen, zooals de andere huizen en 't heeft 'n dak van pannen! Hooge klapperboomen, staan rondom op 't erf en die vlaggesiok daar is voor de nederlandsche vlag! — Hier is 'n photo van m'n broer, gedeeltelijk in westersche kleeding, zooals u ziet en hij draagt ook 'n das!! *n Mohammedaansche iulander mag dat niet.

Dat aardige, bataksche bakerkind op z'n knie is zijn zoontje.

Dit is het grafmonument van mijn vader. Alleen, de hoofden van stammen worden aldus begraven....

Ik vroeg of zijn lange naam ook eenige bijzondere beteekenis had. „

Soetan is mijn familienaam", vertelde hij, „en Soripada de naam van mijn grootvader, want bij ons heet een jongen naar dezen en niet naar zijn vader. En „Casajangan" ?Ja, dat zal n misschien gek vinden?

Casajangan wil zeggen „liefde" en wij waren met drie broers, en mijn vader gaf mij dien bijnaam, omdat —z'n breede mond kreeg 'n milden glimlach, — „hij zooveel van mij hie1d......"

De bleeke broeder met 't schelvisch-oog nam afscheid van zijn bruinen broeder met den ijzeren wil, wenschte hem verder succes bij zijn plannen. En terwijl eerstgenoemde zijn dessa opzocht, philosopheerde hij nog alleronsamenhangendst na. over de werkkracht, den moed en de volharding van dezen sumatraanschen inlander.

Bij de oude Batakkers heerschte het geloof, dat de ziel op het hoofd huisde, 'n Bewijs voor hun vereering van het intellect. Misschien leeft iets van 't vroegere bijgeloof weer op, wanneer de heer Soetan „mit Preis gekrönt" in zijn geliefd Batoe- Na-Doea teiugkeert! (Tel.)


Een Inlandsche pionier in Nederland

Onder de in Nederland studeerende Inlanders heeft zeker niemand zooveel van zich laten hooren en van zich horen spreken als Maharadja Soetan Casajangan Saripada, in de wandeling genaamd : Raden Soetan Casajangan.

Deze man heet getoond een echt pionier der beschaving van 'Ajn volk te zijn en heeft zijn verblijf in Nederland niet alleen benut om zich door studie verder te bekwamen, doel ook om pogingen in het werk te stellen om zijne studie, en die van v ele anderen na hem, aan zijn geboorteland dienstbaar Ie maken.

Soelan werd in het jaar 1876 te Batoe Nadoewa in He afdeeling Tapanoeli geboren. Zijn grootvader was de bekende "ertoewan Saripada, die de hulp van ons gouvernement inriep, toen de Batakkers in oorlog waren met de Padries en die toen hulp verkreeg van uit Natal, welke hulpverleening het begin was van de vestiging van ons rechtstreekse! gezag in de Bataklanden.

De vader van Soetan, was het eenige hoofd in de Bataklanden van dien tijd, dat op eenige ontwikkeling mocht bogen e n dat door omgang met Europeanen veel had geleerd. Hoewel hij nimmer eene school had bezocht, zoo sprak hii toch de Nederlandsche en de Maleische talen.

Hij is ons gouvernement van veel dienst geweest bij de vestiging van het rechtstreeksche bestuuren bij de afschaffing van de slavernij in 1863. Bij deze laatste stond hij er voor in, dat geene onlusten in zijne districten daarvan het gevolg zouden zijn. Verder was hij behulpzaam in het dempen van opstootjes in Padang Lawas, bij welke gelegenheid hij twee despotische hoofden gevangen nam.

Het zat de Soetans dus reeds lang in het bloed zich tot ons gouvernement aangetrokken te gevoelen en zij begrepen tereclif, dal door samenwerking met de Nederlanders ook hulp van de Nederlanders zoude worden verkregen, welke hulp zij dienstbaar konden maken aan de ontwikkeling van hun land.

De jonge Soelan bezocht tot zijn dertiende jaar een gewone school voor inlanders en werd toen aan de kweekschool voor Inlandsehe onderwijzers Ie Padang Sidempoean geplaatst.

Reeds op 17-jarigeo leeftijd zien wij hem als inlandsch onderwijzer in de Rataklanden terugkomen, waar hij onvermoeid werkzaam bleef in het belang van de ontwikkeling van zijn volk

'Zeven jaar geleden, dus op 30-jarigen leeftijd, vertrok hij naar Nederland waartoe het denkbeeld hem werd ingegeven door de lezing van het boek Soedarsa, van Raden Mas I&mangoen, den toenmaligen inspecteur voor het Inlandsch Onderwijs. Te voren had hij zich door privaatlessen voldoende in de Nederlandsche taal bekwaamd.

Na eene studie van anderhalf jaar aan de kweekschool voor onderwijzers te Haarlem behaalde hij de lagere acte, waarna hij te Leiden de colleges voor Indisch Ainblenaar bijwoonde. Toen hem echter bleek, dat zijn toekomstige werkkring niet bij het B. B. lag, veranderde hij van richting en studeerde hij in 1912 af voor de hoofdacte.

Intusschen was hij werkzaam bij de handelsscholen te Rotterdam en Haarlem als leeraar in de Maleische taal.

Van at zijne komst in Nederland zien wij hem onvermoeid werkzaam om pogingen aan te wenden zijn volk van dienst te zijn. Daartoe wist hij in de eerste plaats gedaan te krijgen van het Algemeen Nederlacdsch Verbond te Rotterdam, dat gratis boeken werden gezonden naarde Hataklanden voor onderricht in de Nederlandsche taal, welke boeken daar in zeer goede aarde zijn gevallen. Van uit zijn geboorteland kreeg hij daarvoor tal van dankbetuigingen.

In 1808 richtte hij te Leiden de „Indische Vereeniging'' op, met het doel om Indië vooruit te brengen. Deze vereeniging telt thans ?6 leden, allen Inlanders en 40 donateurs, allen Nederlanders, doch heeft zich niet boven het peil van gezellige samenkomst en onderlinge aaneensluiting weten te verheffen.

Van af 1908 wendde hij pogingen aan om door rentelooze voorschotten aan ambitieuse en kundige inlanders, dezen in de gelegenheid te stellen in Nederland eene opvoeding te krijgen. Daartoe hield hij eene voordracht in „Moederland en Koloniën" en vervoegde hij zich om geldelijken steun bij den minister van koloniën.

In zijne voordracht becijferde hij een kapitaal noodig te hebben van rond één ton, waarvoor dan ieder jaar 7 Inlanders konden worden uilgezonden. Dat kapitaal werd aan de ééne zijde aangesproken voor de kosten van opleiding, doch zou aan de andere zijde weer aangroeien, door terugstorting daarvan door de geslaagden, in inaandelijksche payementen van f 25. Waarlijk, een practisch idee, dat alleen storting van een stamkapitaal vordert.

Ie tijd scheen toen eveuwel nog niet gunstig voor zijne plannen, welke hij intusschen niet opgaf, tot deze ten laatste de/.er dagen tot uiting kwamen, in het bekende manifest in de Nederlandsche en Indische binden, hetwelk door de veranderde tijdsomstandigheden ditmaal wel in goede aardeis gevallen.

Hij acht bepaald eene opleiding in Nederland noodig om de Nederlandsche taal Ie leeren en om den aanslaanden onderwijzer een ruimeren blik te schenken, en hem te verheffen boven de altijd iets nederdrukkende Indische omgeving. Ook dient een Inlander, voor de vorming van zijn karakter het heerschzuchtige af te leggen, dat de meerdere in Indië altijd tegenover den mindere heeft en dat men in Nederland, waar men maar een kleintje onder de kleinen is, heel spoedig kwijt raakt.

Waarlijk, deze bruine broeder toont meer kijk op menschen en toestanden te hebben dan de ijveraars in Indië voor inrichtingen van onderwijs, tot zells de hoogste toe in een land, dat wegens het peil van beschaving van zijne bewoners daartoe in geen kwart eeuw nog geschikt is. Hij acht daarom ook de opheffing van de afdeeling B van het Gymnasium een verstandige maatregel. 
***
Soetan is steeds in verbinding gebleven met zijne landgenooten, die geheel van zijn streven zijn doordrongen en die van hem leiding en vorming verwachten. Zij noemen hem nu reeds de „locomotief", waarachter zij maar hebben aan te haken om in het spoor der vooruitgang te worden geleid.

In Juli e.k. vertrekt hij naar Indië, waar hij denkt werkzaam te worden gesteld als Adviseur voor Bataksche aangelegenheden, in welke functie hij zeker the right man in the right place zal zijn, daar hij zich op alles heeft toegelegd, wat tot wetenschappelijke en economische opheffing van zijn volk kan dienen. Hij is met Raden Kariiil, de tegenwoordige inspecteur voor het Inlandsch Onderwijs, de eenige inlander die in het bezit is van eene hoofdacte.

Hij mag de voldoening smaken, dat zijn streven in zijn geboorteland zeer wordt gewaardeerd, en dat men daar de vooroordeelen eu tegenstribbelingen van sommige reactionnaire hoofden heeft weten te overwinnen. Tal van Batakkers staan reeds klaar zijn voorbeeld te volgen, zoodra hun daartoe de middelen worden geschonken.

Voor zijn streven tot oprichting van het Eeuwia Instituut viel hem dezer dagen in de Vereeniging «Oost en West" eene verrassende en welverdiende hulde ten deel, daar hem namens die vereeniging een bloemstuk werd aangeboden, waaraan in de kleuren der Nederlandsche vlag linten prijkten, met de volgende opschriften:

Hulde denkbeeld M. 11. R. Soetan Casajangan
Voor stichting Eeuwig Ins'ituut,
Voor de eenheid en vooruitgang.

Zichtbaar onder den indruk van deze verrassing, dankte hij daarvoor en deelde hij mede aangenaam te zijn verrast door zeer waardeerende blijken van instemming met zijn streden ontvangen van H. M. de Koningin-Moeder, Z. K. H. den Prins der Nederlanden en den Oud-Gouverueur-Generaal van Heutsz, lerwijl hem reeds beduidende geldelijke steun was toegezegd.

Op onze photo zien wij Soetan in zijn werkkamer zillen aan zijn schrijftafel Tegenover hem hangt het fraaie bloemstuk aan den muur, dat hij den vorigen dag ontving.

Hopen wij dat Nederland en Indië de pogingen van dezen ijvengen propagandist /uilen weten te waardeeren door eendrachlig samen te werken tot de stichting van het Eeuwig Instituut.

Deze naam is nog niet volledig en tusschen de beide laatste woorden komt later nog een andere naam, doch dit blij eene verrassing, die wij nog niet mogen mededeelen.

Den Haag, 35 Maart 1913. W. J. Giel.

Tidak ada komentar: